Blue Flower

Gerard van der Burg, psycholoog. Leestijd ca. 7 minuten.

Psychologie is de empirische wetenschap van het menselijk gedrag. Een empirische wetenschap verklaart haar verschijnselen. Dat doet de psychologie echter niet. Daarom is de psychologie geen echte empirische wetenschap. Ik stel een oplossing voor. 

Psychologen onderzoeken vele psychische fenomenen. Dat doen ze door op systematische wijze experimenten uit te voeren, hersenscans te maken of enquêtes af te nemen. De uitkomsten worden statistisch verwerkt. De resultaten verfijnen de bekende gegevens van de bestaande psychische fenomenen, zoals attitudes en de verschillende emoties en verslavingen, of tonen het bestaan van nieuwe psychische fenomenen aan, zoals de onzichtbare gorilla, het knuffelhormoon oxytocine en zich blijer voelen door een potlood in de mond te klemmen.
     Elk jaar verschijnen in de psychologische vakbladen meer dan vijftigduizend empirische studies(!). Inmiddels beschikt de psychologie over miljoenen empirische studies. Deze enorme hoeveelheid wekt de indruk dat de psychologie een empirische wetenschap is. Dat is een misverstand.

Een empirische wetenschap verklaart 
De psychologie pretendeert een empirische wetenschap te zijn. Het doel van een empirische wetenschap is het verklaren van haar verschijnselen. Zo proberen natuurkundigen natuurverschijnselen, scheikundigen chemische verschijnselen en psychologen psychische verschijnselen te verklaren. Het verklaren van verschijnselen bestaat uit twee stappen. Allereerst bedenken de wetenschappers een theorie over de oorzaak ofwel het onderliggende mechanisme van een verschijnsel. Vervolgens toetsen de wetenschappers die theorie op systematische wijze aan de empirie (ervaring). Wanneer de theorie door de empirie wordt bevestigd is het onderliggende mechanisme van het verschijnsel ontdekt en is het verschijnsel verklaard. Wanneer de theorie niet wordt bevestigd bedenken de wetenschappers een nieuwe theorie over het onderliggende mechanisme, die ze weer toetsen aan de empirie, enz.
     Ik noem twee voorbeelden van dit verklaringsproces. Albert Einstein publiceerde in 1916 zijn algemene relativiteitstheorie over de zwaartekracht. Drie jaar later werd zijn theorie bevestigd door metingen van een zonsverduistering op het eiland Principe door de Britse astronoom Sir Arthur Eddington. Het gedrag van de kleinste deeltjes wordt verklaard met de standaardtheorie over de kleinste deeltjes. Een essentieel onderdeel van de standaardtheorie is het Higgsdeeltje. De LHC-superversneller in Genève werd gebouwd om onder andere deze standaardtheorie te toetsen aan de empirie. Op 4 juli 2012 werd bekend dat het Higgsdeeltje was gevonden. De theoretici van het Higgsdeeltje, Peter Higgs en François Englert, ontvingen hiervoor in 2013 de Nobelprijs voor natuurkunde.
     De natuur-, schei- en sterrenkunde en de biologie beschikken over bevestigde formules en theorieën over de onderliggende mechanismen van haar verschijnselen. Dat geldt niet voor de psychologie.

De psychologie verklaart niet
De psychologie heeft geen enkele bevestigde theorie over het onderliggende mechanisme van een van haar psychische fenomenen. Ik geef een aantal voorbeelden.
     De psychologie heeft het bestaan van talloze denkfouten aangetoond, bijvoorbeeld ankering, cognitieve dissonantie en tunnelvisie. Hoe al deze denkfouten in de mens ontstaan is onbekend (1). Bij ‘priming’ beïnvloedt een ‘prime’, bijvoorbeeld een woordpuzzeltje, het gedrag van mensen zonder dat ze het weten, onbewust. Het onbewuste effect van priming is in vele studies aangetoond, maar het ontstaan ervan is onduidelijk. Het placebo-effect is het verschijnsel dat een cliënt kan genezen van een medicijn zonder werkzame bestanddelen. De verwachting van de patiënt dat het medicijn hem zal genezen speelt een rol, maar de exacte oorzaak van het placebo-effect is niet gevonden. Een zware depressie is een ernstige psychische ziekte die tot zelfmoord kan leiden. Over het onderliggende mechanisme van een depressie is nog veel onduidelijk. Psychotherapieën kunnen psychische stoornissen verhelpen, maar hoe dat werkt is nog steeds in nevelen gehuld (2). Veel mensen met een posttraumatische stressstoornis hebben baat bij EMDR-therapie. Wat het onderliggende mechanisme is van deze raadselachtige therapie, is nog niet ontdekt (3). Het laatste voorbeeld is de drijfveer van de mens. Wij zijn de hele dag druk bezig met allerlei activiteiten. Wat is het psychische nut daarvan, wat is de drijfveer van de mens? Dat is onbekend.
     De psychologie verklaart geen enkel psychisch fenomeen. Dat is merkwaardig omdat psychische fenomenen gewoon verklaard kunnen worden.

Psychische fenomenen kunnen worden verklaard
Een empirische wetenschap gaat uit van het beginsel van causaliteit: alle verschijnselen zijn het gevolg van oorzaken die aan de verschijnselen voorafgaan. Verschijnselen kunnen niet uit het niets ontstaan. Op grond van dit beginsel zoeken, en vinden, de empirische wetenschappers de onderliggende mechanismen van hun verschijnselen.
     Dit beginsel moet ook voor de psychologie gelden. Alle psychische fenomenen moeten op de een of andere manier zijn veroorzaakt (4). Het is van tweeën één: óf de psychische fenomenen hebben oorzaken die de psychologie kan ontdekken, óf de psychische fenomenen hebben geen oorzaken die de psychologie kan ontdekken, maar dan is de psychologie geen empirische wetenschap. Psychologen kunnen hun psychische fenomenen verklaren als ze zouden zoeken naar de onderliggende mechanismen ervan.

Waarom verklaart de psychologie niet?
Waarom verklaren psychologen niet hun psychische fenomenen, als ze wel verklaard kunnen worden? Een belangrijke reden is dat het doel van de universitaire psychologie niet het verklaren van psychische fenomenen is, maar het publiceren van zoveel mogelijk empirische studies. Universiteiten zijn door de neoliberalisering fabrieken geworden die zoveel mogelijk bachelors, masters en empirische studies produceren (5). Dit betekent voor universitaire psychologen dat zij elk jaar minimaal vijf empirische studies moeten publiceren. Dan gaat het niet meer om kwaliteit, om het zoeken naar de onderliggende mechanismen van psychische fenomenen. Dan gaat het om kwantiteit, om vele simpele empirische studies. Heel zelden leverde een psycholoog kritiek op de simpele empirische studies, maar dergelijke kritiek leidde nooit tot een koerswijziging (6). 

Twee gevolgen 
Er zijn twee gevolgen van een psychologie die niet verklaart. Ten eerste is het wetenschappelijk nut zeer gering omdat psychische fenomenen niet worden verklaard. Ten tweede is het maatschappelijk nut van een verklaringsloze psychologie eveneens zeer gering. We leven in een tijd met grote maatschappelijke problemen, zoals klimaatverandering, polarisatie en ongelijkheid. In het ontstaan en doen verminderen van maatschappelijke problemen speelt het gedrag van de mens een cruciale rol. Zolang we niets weten over de oorzaken van ons gedrag, kunnen we het ontstaan van de maatschappelijke problemen niet goed begrijpen, laat staan succesvol ombuigen.

Oplossing
Hoe kunnen psychische fenomenen het beste worden verklaard? Elk psychisch fenomeen is een specifieke gedachte, specifiek gevoel of specifieke handeling (of een combinatie daarvan). Om psychische fenomenen te kunnen verklaren is volgens mij een bevestigde theorie over het onderliggende mechanisme van onze gedachten, gevoelens en handelingen noodzakelijk. Een bevestigde theorie betekent dat een theorie over ons gedrag eerst is bedacht. En vervolgens dat deze theorie is getoetst aan de empirie én is bevestigd.
     Het grote voordeel van een bevestigde theorie over ons gedrag is dat zij kan worden toegepast op de vele psychische fenomenen die nu oppervlakkig worden onderzocht. Psychologen kunnen uit de bevestigde theorie een hypothese afleiden over de oorzaak van een bepaald psychisch fenomeen en die vervolgens toetsen aan de empirie. Als de hypothese wordt bevestigd is het psychische fenomeen verklaard. Wordt de hypothese niet bevestigd, dan moet de hypothese worden aangepast, weer worden getoetst aan de empirie, enz.
     Voordat we eenmaal een bevestigde theorie over het onderliggende mechanisme van onze gedachten, gevoelens en handelingen hebben, moeten psychologen eerst een dergelijke theorie bedenken. De psychologie kent geen theorie over de oorzaken van ons denken, voelen en doen.
Op deze website geef ik een aanzet tot een theorie over ons gedrag.

Samenvattend, de psychologie is in naam de empirische wetenschap van ons gedrag. Toch verklaart de psychologie niet haar psychische fenomenen. Dat ligt niet aan de psychische fenomenen, want die kunnen worden verklaard. Het wetenschappelijk en maatschappelijk nut van een verklaringsloze psychologie is zeer gering. Het verklaren van psychische fenomenen begint met een theorie over de oorzaken van ons gedrag

Verwijzingen
1. Psycholoog en Nobelprijswinnaar voor de economie Daniel Kahneman bespreekt in Ons feilbare denken (2011) vele denkfouten. Kahneman verheldert de vele denkfouten met twee systemen, Systeem 1 en Systeem 2: ‘Systeem 1 werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en geen gevoel van controle. Systeem 2 omvat bewuste aandacht voor de mentale inspanningen die worden verricht, waaronder ingewikkelde berekeningen’ (p. 28).
     Kahneman waarschuwt de lezer echter om beide systemen als verklaringen te beschouwen: ‘Systeem 1 en Systeem 2 nemen in dit boek zo'n belangrijke plaats in, dat ik absoluut duidelijk wil maken dat het fictieve personages zijn. Sys­teem 1 en 2 zijn geen systemen in de zin van entiteiten die een bepaalde wisselwerking hebben. Bovendien er is geen aanwijsbaar deel in onze hersenen waarin de systemen zijn gezeteld. U kunt zich nu met recht af­vragen, wat voor nut heeft het om in een serieus boek fictieve personages met gekunstelde namen te introduceren? Het antwoord is dat de perso­nages handig zijn, vanwege bepaalde eigenaardigheden in onze hersenen’ (p. 37). De systemen 1 en 2 moeten ‘als beschrijving (…) worden opgevat, en niet als verklaring’ (p. 36). Kortom, de psychologie heeft in talloze empirische studies het bestaan van vele denkfouten aangetoond, maar ze niet verklaard.
2. Hoogleraar klinische psychologie Pim Cuijpers schrijft in Psychotherapie - Een wetenschappelijk perspectief (2012): ‘Na 50 jaar wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van psychotherapie weten we nog steeds niet of de effecten gerealiseerd worden door universele factoren die alle therapieën gemeen hebben of door specifieke factoren van elke verschillende therapievorm. We weten wel dat therapieën effectief zijn: goed opgezette trials hebben dat duidelijk laten zien. Maar hoe ze werken is nagenoeg onbekend’ (p. 134).
3. Pim Cuijpers (2012) schrijft: ‘Ondanks vele fraai opgezette studies naar werkingsmechanismen weten we nog steeds niet zeker hoe EMDR nou precies voor verandering zorgt’ (p. 152). 
     Volgens de EMDR-psychologen is het onderliggende mechanisme van EMDR-therapie het gebrekkige werkgeheugen. Wanneer patiënten hun heftige gebeurtenis terughalen en tegelijk kijken naar de bewegingen van de hand van de therapeut zou hun werkgeheugen overbelast raken. De heftige gebeurtenis kan dan niet goed opnieuw in het werkgeheugen worden opgeslagen. Hierdoor zou de intense emotie worden afgevlakt.
     Ik heb twee punten van kritiek op deze verklaring. Ten eerste is deze verklaring in strijd met het bekende psychische fenomeen dat ons werkgeheugen maar liefst zeven ‘chunks’ (brokjes informatie) tegelijk kan onthouden. Het werkgeheugen zou probleemloos de heftige gebeurtenis moeten kunnen terughalen én tegelijk de handbewegingen moeten kunnen volgen. De EMDR-psychologen leggen niet uit waarom het ‘magische getal zeven’ bij EMDR plots niet meer zou gelden. Ten tweede: waarom zou het werkgeheugen de heftige gebeurtenis opnieuw moeten opslaan in het werkgeheugen? Die gebeurtenis is immers al aanwezig in het langetermijngeheugen. Ook dat leggen de EMDR-psychologen niet uit.
4. Ik neem aan dat alle psychische fenomenen, ook onze bewuste gedachten (het bewustzijn), op de een of andere manier worden veroorzaakt door onze hersenen.
5. De neoliberalisering van de economie van een land betekent: minder overheid, meer markt. De neoliberalisering van de westerse samenleving begon met de regeringen van Reagan in Amerika (1981-1989), Thatcher in het Verenigd Koninkrijk (1979-1990) en de kabinetten van Lubbers en Kok in Nederland (1982-2002). Zij privatiseerden of bezuinigden op, vele publieke voorzieningen, zoals de post, spoorwegen, telecommunicatie en universiteiten.
6. Ik geef enkele zeldzame voorbeelden van psychologen die kritiek leverden op de psychologie. De vermaarde psycholoog Adriaan de Groot (1914-2006) wijdde een groot deel van Academie en forum - Over hoger onderwijs en wetenschap (1982) aan de ‘crisis in de psychologie’. Onderzoeker Giel Hutschemaekers publiceerde in 1993 in De Psycholoog het artikel: ‘Psychologen hebben geen verstand van gedrag’. In 2002 sprak Roos Vonk bij de benoeming tot hoogleraar over het ‘poppenhuis’ van de sociale psychologie. Cultuurpsycholoog Ruud Abma zei naar aanleiding van zijn boek De publicatiefabriek (2013): ‘Snelle experimenten leveren povere wetenschap op’ (de Volkskrant, 30 mei 2013). Hoogleraar klinische psychologie Jan Derksen schreef het artikel ‘Psychologie verkeert in een wetenschappelijke crisis’ (NRC Handelsblad, 10 september 2015). En in het artikel ‘De psychologie is in crisis - “Het moet radicaal anders”’ (Trouw, 26 januari 2019) uitten de psychologen Matthijs Bal en Martijn Veltkamp hun kritiek
.