Blue Flower

Gerard van der Burg, psycholoog. Leestijd: 5 minuten.

Psychologie is de wetenschap van het gedrag van de mens. Psychologen verklaren echter geen psychische verschijnselen. De psychologie is daardoor geen echte wetenschap. Ik stel een oplossing voor. 

De psychologie is de empirische wetenschap van het menselijk gedrag. Psychologen toetsen hun ideeën over ons gedrag aan de ervaring of empirie door middel van systematisch onderzoek: ze voeren experimenten uit, maken hersenscans of nemen vragenlijsten af, waarna de uitkomsten statistisch worden verwerkt. De resultaten leveren nieuwe psychische feiten op (verwijzing 1, zie onderaan). Per jaar verschijnen tienduizenden (!) van deze empirische studies in de psychologische vakbladen.
     Het nauwkeurig vaststellen van psychische feiten of verschijnselen is niet zo moeilijk. Veel moeilijker is onderzoeken hoe en waarom deze psychische feiten in de mens ontstaan. Psychologen doen dit niet of nauwelijks. In ieder geval zonder resultaat. Van geen enkel psychisch verschijnsel is de oorzaak gevonden, het onderliggende mechanisme dat door alle psychologen die het verschijnsel onderzoeken is aanvaard. Ik geef een aantal voorbeelden.
 
     Bij ‘priming’ beïnvloedt een ‘prime’, bijvoorbeeld een woordpuzzeltje, het gedrag van mensen zonder dat ze het weten, onbewust. Het onbewuste effect van priming is in vele studies aangetoond, maar het ontstaan ervan is onduidelijk. Het placebo-effect is het verschijnsel dat een cliënt kan genezen van een medicijn zonder werkzame bestanddelen. De verwachting van de patiënt dat het medicijn hem zal genezen speelt een rol, maar de exacte oorzaak van het placebo-effect is niet gevonden. Een zware depressie is een ernstige psychische ziekte die tot zelfmoord kan leiden. Over het onderliggende mechanisme van een depressie is nog veel onduidelijk. Psychotherapieën kunnen psychische stoornissen verhelpen, maar hoe dat werkt is nog steeds in nevelen gehuld (2). Veel mensen met een posttraumatische stressstoornis hebben baat bij EMDR-therapie. Wat het onderliggende mechanisme is van deze raadselachtige therapie, is onbekend (3). Het laatste voorbeeld is de drijfveer van de mens. Mensen zijn de hele dag druk bezig met allerlei activiteiten. Wat de oorzaak hiervan is - oftewel: wat het psychische nut is van voortdurend actief zijn - is onbekend.
     Een ander voorbeeld zijn de denkfouten. De psychologie kent vele denkfouten, bijvoorbeeld ankering, cognitieve dissonantie en tunnelvisie. Hoe al deze denkfouten in de mens ontstaan is niet ontdekt. Een reden hiervoor is dat psychologen deze denkfouten verwarren met verklaringen (4). Ik licht dit toe. In de psychologie betekent een specifieke denkfout dat de denkfout in verschillende empirische studies is aangetoond. De denkfout bestaat, maar is dan nog niet verklaard. Wanneer psychologen het gedrag van gewone mensen bespreken wijzen ze vaak op een specifieke denkfout, bijvoorbeeld: ‘Dat gedrag is tunnelvisie’. Daarmee suggereren ze het gedrag te hebben verklaard in plaats van te hebben benoemd. Door een specifieke denkfout met een verklaring te verwarren, hoeft de denkfout niet meer te worden verklaard, want de denkfout ís dan de verklaring (5).

Een empirische wetenschap verklaart
De talloze empirische studies in de psychologie tonen vele psychische verschijnselen aan zonder ze te verklaren. Dat is heel vreemd. Het doel van een empirische wetenschap, zoals de psychologie pretendeert te zijn, is immers het verklaren van verschijnselen. Wetenschappers bedenken theorieën over het onderliggende mechanisme van hun verschijnselen die ze vervolgens toetsen aan de empirie door middel van systematisch onderzoek. Ik geef twee voorbeelden uit de natuurkunde. De algemene relativiteitstheorie van Albert Einstein uit 1916 werd in 1919 bewezen door de Britse astronoom Sir Arthur Eddington met zijn metingen van een zonsverduistering. De LHC-superversneller in Genève werd gebouwd om het essentiële onderdeel van de standaardtheorie over de kleinste deeltjes, het Higgsdeeltje, aan te tonen. Op 4 juli 2012 werd bekend dat het Higgsdeeltje was gevonden. De theoretici van het Higgsdeeltje, Peter Higgs en François Englert, ontvingen in 2013 de Nobelprijs voor natuurkunde.
     De biologie, fysiologie, natuur-, schei- en sterrenkunde beschikken over uitmuntende theorieën en formules over de onderliggende mechanismen van haar verschijnselen. De psychologie beschikt over geen enkele algemeen geaccepteerde theorie over het onderliggende mechanisme van een van haar verschijnselen.

Twee factoren
Elk psychisch feit zou een psycholoog nieuwsgierig moeten maken naar de oorzaak ervan. Dat is niet het geval. Hoe kan dat? Ik noem twee factoren.
     De eerste factor is dat de psychologie al vanaf haar begin bestaat uit vele subdisciplines, bijvoorbeeld de cognitieve -, klinische -, sociale -, ontwikkelings- of organisatiepsychologie. Elke subdiscipline bevat vele onderwerpen die worden onderzocht. De onderwerpen van de klinische psychologie zijn bijvoorbeeld: alcoholverslaving; eetstoornissen; fobieën; persoonlijkheidsstoornissen en psychotherapieën. Een psycholoog is een specialist in een of meer onderwerpen van zijn subdiscipline (6).
     De tweede factor is de neoliberalisering van de westerse wereld sinds de jaren tachtig (7). Universiteiten werden steeds meer bedrijven die zoveel mogelijk bachelors, masters en empirische studies moeten opleveren. Psychologen moeten elk jaar een aantal studies met psychische feiten publiceren. Jonge psychologen denken hierdoor dat psychologie louter het afscheiden van nieuwe feiten is.
     Beide factoren maken dat psychologen talloze specialistische feiten zonder verklaringen produceren. 


Oplossing
Als er in de psychologie niets verandert wordt de berg aan verklaringsloze studies hoger en hoger. Dat is zonde van alle geïnvesteerde tijd, geld en moeite. Mijn oplossing is tweeërlei.
     Ten eerste zullen de psychologen en de politiek, universiteiten, NWO en andere subsidieverstrekkers de psychologie in een echte empirische wetenschap moeten willen veranderen: een wetenschap met als doel het verklaren van psychische verschijnselen. Het inzicht en de wil dat dit moet gebeuren ontbreken vooralsnog bij de psychologen en de genoemde instanties.
     Ten tweede is een theorie over het onderliggende mechanisme van ons denken, voelen en doen, die is getoetst aan de empirie en is bevestigd, essentieel voor het verklaren van de talloze psychische verschijnselen. Een psychisch verschijnsel is namelijk specifiek gedrag: een specifieke gedachte, gevoel of handeling (in een bepaalde situatie). Als psychologen eenmaal weten hoe mensen denken, voelen en doen kunnen ze een hypothese afleiden over de oorzaak van een psychisch verschijnsel en die toetsen aan de empirie.
     Een dergelijke theorie kan worden gevonden. Alle natuurverschijnselen worden door onderliggende mechanismen veroorzaakt, zo ook het gedrag van onze diersoort. Als psychologen gaan zoeken naar het werkingsmechanisme van ons denken, voelen en doen zullen ze die vroeg of laat vinden.
     Een dergelijke theorie is van veel groter nut voor de maatschappij dan de huidige psychologie. Een samenleving wordt immers gemaakt door het gedrag van vele mensen. Als psychologen weten hoe ons gedrag ontstaat kunnen maatschappelijke gebieden, zoals onderwijs, rechtspraak, economie of de geestelijke gezondheidszorg, aanzienlijk worden verbeterd. Bovendien geeft een goede theorie ons meer inzicht in ons eigen gedrag.

Samenvattend, een empirische wetenschap, zoals de psychologie pretendeert te zijn, bestaat uit twee aspecten. Een: het bedenken van theorieën over de onderliggende mechanismen van haar verschijnselen. Twee: het toetsen van deze theorieën aan de empirie door middel van systematisch onderzoek. In de psychologie gebeurt enkel een deel van het tweede: het doen van systematisch onderzoek. Dit maakt de psychologie tot een halve empirische wetenschap, een semiwetenschap.
     De oplossing begint met een goede theorie over het onderliggende mechanisme van onze gedachten, gevoelens en handelingen. Op deze website geef ik een aanzet tot een dergelijke theorie.

Verwijzingen
1. Deze feiten worden vaak in vervolgonderzoek genuanceerd. Soms blijken psychische verschijnselen, bij herhaling van het experiment waarin ze ooit zijn vastgesteld, niet meer voor te komen (replicatie-onderzoek).
2. Hoogleraar klinische psychologie Pim Cuijpers schrijft in Psychotherapie - Een wetenschappelijk perspectief (2012): ‘Na 50 jaar wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van psychotherapie weten we nog steeds niet of de effecten gerealiseerd worden door universele factoren die alle therapieën gemeen hebben of door specifieke factoren van elke verschillende therapievorm. We weten wel dat therapieën effectief zijn: goed opgezette trials hebben dat duidelijk laten zien. Maar hoe ze werken is nagenoeg onbekend’ (p. 134)  .
3. Pim Cuijpers (2012) schrijft: ‘Ondanks vele fraai opgezette studies naar werkingsmechanismen weten we nog steeds niet zeker hoe EMDR nou precies voor verandering zorgt’ (p. 152).
4. In Ons feilbare denken (2011) schrijft psycholoog Daniel Kahneman uitgebreid over allerlei denkfouten. Vanaf hoofdstuk 1, De hoofdpersonages, maakt de Nobelprijswinnaar voor de (gedrags)economie een onderscheid in twee hoofdpersonages, Systeem 1 en Systeem 2. De vele denkfouten worden verhelderd met Systeem 1 en Systeem 2. Kahneman schrijft bijvoorbeeld: ‘Systeem 1 is vaak in staat moeilijke vragen snel te beantwoorden langs de weg van substitutie, door samenhang te scheppen waar deze niet bestaat’ (p. 256). 
     Kahneman waarschuwt de lezer in hoofdstuk 1 om beide systemen als verklaringen te beschouwen: ‘Systeem 1 en Systeem 2 nemen in dit boek zo'n belangrijke plaats in, dat ik absoluut duidelijk wil maken dat het fictieve personages zijn. Sys­teem 1 en 2 zijn geen systemen in de zin van entiteiten die een bepaalde wisselwerking hebben. Bovendien er is geen aanwijsbaar deel in onze hersenen waarin de systemen zijn gezeteld. U kunt zich nu met recht af­vragen, wat voor nut heeft het om in een serieus boek fictieve personages met gekunstelde namen te introduceren? Het antwoord is dat de perso­nages handig zijn, vanwege bepaalde eigenaardigheden in onze hersenen. Een zin wordt eerder begrepen als beschreven wordt wat een actor (Systeem 2) doet, en niet wat een actor is of welke kenmerken een actor heeft’ (p. 37). Kortom, de systemen 1 en 2 moeten als ‘beschrijving (…) worden opgevat, en niet als verklaring’ (p. 36).
     Kahneman herhaalt deze waarschuwing niet meer in de volgende 37 hoofdstukken, terwijl Systeem 1 en Systeem 2 voortdurend terugkomen. Hierdoor kan de lezer toch denken dat beide systemen de verklaring zijn voor onze denkfouten, en niet slechts een beschrijving.
5. Psychologen uiten zelden kritiek op hun discipline. Ik noem enkele kritische psychologen. De vermaarde psycholoog Adriaan de Groot (1914-2006) wijdde een groot deel van Academie en forum - Over hoger onderwijs en wetenschap (1982) aan de ‘crisis in de psychologie’. Onderzoeker Giel Hutschemaekers publiceerde in 1993 in De Psycholoog het artikel: ‘Psychologen hebben geen verstand van gedrag’. In 2002 sprak Roos Vonk bij de benoeming tot hoogleraar over het ‘poppenhuis’ van de sociale psychologie. Cultuurpsycholoog Ruud Abma zei naar aanleiding van zijn boek De publicatiefabriek (2013): ‘Snelle experimenten leveren povere wetenschap op’ (de Volkskrant, 30 mei 2013). Hoogleraar klinische psychologie Jan Derksen schreef het artikel ‘Psychologie verkeert in een wetenschappelijke crisis’ (NRC, 10 september 2015).
6. De talloze empirische studies over vele onderwerpen uit vele subdisciplines veroorzaakt versnippering van psychologische kennis. Hoogleraar Bert Duijker (1912-1983) bekritiseerde de versnippering al in de jaren zeventig toen hij de psychologie een ‘ontplofte confettifabriek’ noemde. Als voorbeeld van deze versnippering noem ik vijf specialistische studies uit verschillende subdisciplines: (cognitieve psychologie) ‘Statistical regularities modulate attentional capture’ (2018), B. Wang c.s.; (klinische psychologie) ‘Different aspects of emotional intelligence of borderline personality disorder’ (2017), P. Arntz, c.s.; (sociale psychologie) ‘Do we spontaneously form stable trustworthiness impressions from facial appearance?’ (2016), A. Klapper c.s.; (ontwikkelingspsychologie) ‘Longitudinal links between childhood peer acceptance and the neural correlates of sharing’ (2018), G. Will c.s. en (organisatiepsychologie) ‘Team members' emotional displays as indicators of team functioning’ (2016), A. Homan, c.s.. (De titels laten ook zien dat de studies geen psychische verschijnselen verklaren. Er zijn namelijk geen titels met: ‘An Explanation of…’.)
7. Neoliberalisering van de economie van een land betekent: minder overheid, meer markt. De regeringen van onder andere Reagan (1981-1989), Thatcher (1979-1990) en de kabinetten van Lubbers en Kok in Nederland (1982-2002), begonnen met bezuinigingen op, en privatiseringen van, publieke voorzieningen zoals de universiteiten en spoorwegen.